terug
Noordwelle
 
Ondernemers
Jong Noordwelle
Noordernieuwswelle
Contact

Copyright © from 2007
All Rights Reserved

 

De Ramp (deel 2) Annemarie Priemis

Natuurlijk werd er steeds over de ramp gesproken. Onder elkaar, maar ook met mensen die op bezoek kwamen. Iedereen wilde er natuurlijk over praten en ik zat er als het enige kind bij. De olielamp hing boven de tafel en gaf rare schaduwen in het voor mij toch niet zó bekende huis. Ik hoorde allemaal verschrikkelijke dingen. Verhalen over mensen die verdronken waren, van huizen en boerderijen die ingestort waren, van mensen die vochten om een plekje te bemachtigen in een reddingsboot, van mensen die net gered waren uit hun al half ingestorte huis toen de rest ook instortte en onder water verdween, verhalen over verdronken dieren en ronddrijvende kadavers, enz. En soms was ik bang om mijn benen onder tafel te houden en dan ging ik er maar op zitten. Ik bleef in die tijd heel lang op, want niemand zei dat ik naar bed moest en ik vond het ook eng om alleen op die donkere zolder te slapen. Bovendien gaf het niet, want ik moest toch niet naar school.

Als we naar boven gingen moest er een petroleumlamp mee om nog wat te kunnen zien.

Er waren allerlei acties op touw gezet om de slachtoffers van de watersnoodramp te helpen. Soms gingen we naar een gebouw in Renesse en dan kreeg je spullen. Dat was de "bedeling" en mijn moeder vond het maar niks. Je kreeg dan kleding, gereedschap, speelgoed, huishoudelijke artikelen, e.d. Dat kreeg iedereen, hoewel wij natuurlijk niet zoveel waren kwijtgeraakt.

Op de radio was een actie om geld in te zamelen en die heette: Beurzen open, dijken dicht. Men dropte ook voedsel uit vliegtuigen op plaatsen waar dat kon en nodig was. Ook werd er hooi voor het vee gedropt.

 

In Noordwelle waren een paar mensen achter gebleven. Zij bivakkeerden in de kerk en hielden tevens toezicht op het verder verlaten dorp.

Er waren ook regelmatig amfibievaartuigen te zien, de zogenaamde duwks. Zo reden ze over de weg en zo voeren ze door het water. We hadden zoiets nog nooit gezien.

Amsterdam had Schouwen-Duiveland geadopteerd en met name de studenten en de kachelsmeden zorgden voor hulpgoederen.

Veel mensen werden naar elders geëvacueerd, want op die smalle duinstrook kon natuurlijk niet de hele eilandbevolking opgevangen worden. Een groot deel van het geredde vee werd ook naar elders getransporteerd, omdat er geen ruimte was en zeker geen voer genoeg.

Foto: Vee in Zierikzee, gereed om geëvacueerd te worden.  

Langs de Hogezoom in Renesse was een nooddijk aangelegd om te zorgen dat het water daar werd tegengehouden. Op die nooddijk was een aanlegsteigertje gemaakt en daar lag een motorbootje. Af en toe gingen we daarmee naar Noordwelle. Het was heel vreemd om dan over het land te varen, zo tussen de boerderijen door. Heel erg akelig was het om hier en daar dode, opgeblazen koeien, paarden of varkens te zien liggen.
  Bij de aanlegsteiger op de nooddijk.

Op een zondag was het weer extreem hoog water en op een gegeven moment stond het op gelijke hoogte met de nooddijk. Het was natuurlijk erg spannend of het daar bij zou blijven. Dat was niet het geval en het water stroomde er overheen. Steeds meer en meer. Ik heb me dat toen niet zo gerealiseerd, maar dat moet voor iedereen wel verschrikkelijk zenuwslopend zijn geweest. Ik vond het alleen maar spannend. Fietsen reden over de straat door het water en dat was leuk om te zien. Wel herinner ik me dat mijn moeder zei: "Nu zullen we toch niet nog een keer weg moeten!" Het is gelukkig met een sisser afgelopen.
Kadavers.  

Op een gegeven moment kwam het bericht dat ik weer naar school moest. Men had een noodschool opgericht en dat vond ik niet leuk. Ik hield niet van onbekende dingen en ik wist niet hoe het daar zou zijn. We moesten als jongere kinderen in een evangelisatiegebouwtje. Het was wel geruststellend dat mijn eigen juf daar ook was, maar er waren veel kinderen die ik niet kende. Zij kwamen van andere dorpen. De oudere kinderen zaten in een houten barak die op het grasveld bij de kerk was neergezet, naast de school van Renesse. Ik moest daar na de zomervakantie ook naar toe. We kregen gewoon les, maar mochten ook vaak over de ramp vertellen en vaak opstellen schrijven. Die gingen ook altijd over de ramp. Ik denk wel dat het heel goed is geweest voor de verwerking. Later kregen we ook andere opdrachten om over te schrijven en mocht het niet meer over de ramp gaan.

We waren nog steeds in Renesse geëvacueerd. Ik ging op de fiets naar school over de Hogezoom, een zeer smalle weg van klinkers. Als er een auto aankwam en zeker als het een vrachtwagen was, dan moest je in de berm gaan staan.

Nu was men in die tijd ook steeds bezig met het opruimen van de kadavers en vaak kwam er zo'n vrachtwagen vol met dode opgezwollen koeien achter me aan gereden. De poten staken alle richtingen op en ik was er panisch voor. Als ik zo'n vrachtwagen hoorde aankomen, dan vloog ik van mijn fiets en gooide hem in de berm. Zelf dook ik dan zo ver mogelijk met mijn gezicht in de bosjes en zat dan helemaal gehurkt met mijn armen over mijn hoofd te wachten tot hij weg was. Dan bleef ik nog een poos zitten met mijn kleren voor mijn gezicht, want de stank was ondraaglijk. Dat zal ik nooit meer vergeten zolang ik leef.

Terwijl ik op school zat gingen mijn vader en moeder soms naar Noordwelle om de stand van zaken op te nemen en dingen te redderen. Als ik uit school kwam keek ik soms aan de rand van het dorp naar het water. Op een keer zag ik dat het laag water was en de wegen lagen droog, maar wel onder een laag modder. Ik wist dat mijn ouders naar huis waren en toen dacht ik: "Ik ga ze verrassen, ik ga ook eens kijken. Toen ben ik gaan lopen door de modder. Het is twee kilometer. Nou, verrast waren ze, maar niet blij. Ik moest beloven dat nooit meer te doen, want het water had ondertussen wel op kunnen komen, of zij hadden alweer weg kunnen zijn als ik daar kwam, enz. Daar had ik niet bij stil gestaan, ik wou alleen maar verrassen. Ze hadden natuurlijk wel gelijk.

Mijn vader, en de andere mannen gingen ook werken. Zij kregen daarvoor een uitkering. Sommigen ruimden alles op wat aanspoelde, anderen werkten aan de dijken en maakten zinkstukken van wilgentenen, waar later basalt keien op gestort werden. Ook waren er mensen bezig om alle machines, die door het zoute water helemaal aangetast waren, te ontroesten, zodat ze later weer te gebruiken waren.

Annemarie Priemis